?

Log in

Carol Ann Duffy - Roodkapje Aan het eind van de jeugd liepen de… - i read the news today, oh boy [entries|archive|friends|userinfo]
Lieke Marsman

joomla stats

[ website | blauwvogel ]
[ userinfo | info ]
[ archive | archive ]

[Nov. 8th, 2013|03:23 pm]
Lieke Marsman

Carol Ann Duffy - Roodkapje

Aan het eind van de jeugd liepen de huizen dood
op speelvelden, de fabriek, volkstuinen onderhouden,
als maitresses, door knielende getrouwde mannen,
de zwijgende spoorlijn, de kluizenaarscaravan,
tot je tenslotte de bosrand bereikte. Daar was het
dat ik de wolf voor het eerst in het oog kreeg.

Hij stond op een open plek luidop zijn verzen te lezen
met zijn lijzige wolvenstem, paperback in harige klauw,
rode wijnvlekken op zijn bebaarde kaak. Wat had hij
grote oren! En wat had hij grote ogen! En tanden!
Ik zorgde ervoor dat hij, in de pauze, alleen mij zag,
sweet sixteen, maagd, babe en wijf, en me trakteerde

op een drankje. Mijn eerste. U vraagt zich af waarom.
Dit is waarom. Poëzie. Ik wist dat de wolf me zou leiden
naar een donkere plek in het bos, ver van huis, een wirwar
van doornen, slechts verlicht door uilenogen. Ik kroop mee
in zijn zog, mijn kousen gescheurd, rode flarden van mijn blazer
afgerukt door takken, sporen in een moordzaak. Ik verloor

mijn schoenen maar bereikte het, het hol van de wolf, pas op
galmend in mijn bol. Les één van die nacht, de adem van de wolf
in mijn oor, was het liefdesgedicht. Tot het eerste licht
klitte ik me vast aan zijn beukende huid, want welk meisje
houdt niet zielsveel van een wolf? Toen gleed ik uit de greep
van zijn zware bezwete klauwen en zocht een levende vogel -

witte duif - die recht uit mijn handen naar zijn open mond vloog.
Eén beet, dood. O wat lekker, ontbijt op bed, zei hij
en likte zijn lippen af. Zodra hij sliep, kroop ik naar het eind
van het hol waar een hele muur rood- en goudgloeiend volstond
met boeken. Woorden, woorden lagen springlevend op de tong,
in het hoofd, warm, kloppend, razend, gevleugeld; muziek en bloed.

Maar toen was ik jong - pas na tien jaar in het bos wist ik
dat een paddestoel de mond van een begraven lijk afsluit,
dat vogels de uitgesproken gedachten van bomen zijn,
dat een grijze wolf, jaar in jaar uit, hetzelfde lied
naar de maan jankt, seizoen na seizoen, met hetzelfde rijm,
met dezelfde reden. Ik nam een bijl naar een wilg

om te zien hoe hij huilde. Ik nam een bijl naar een zalm
om te zien hoe hij sprong. Ik nam een bijl naar de wolf
terwijl hij sliep, één houw, scrotum naar keel, en ik zag
het glinsterend, maagdelijk wit van mijn grootmoeders botten.
Ik vulde zijn oude buik met stenen. Ik naaide hem dicht.
Uit het bos kom ik met mijn bloemen, zingend, heel alleen.

linkReply